Hij is zeer kort in militaire dienst geweest, naar ik aanneem net lang genoeg om de eerste oefening te krijgen en om daarna als milicien-verlofganger in reserve te blijven. Het werk bij de spoorwegen zal zo’n uitzondering tot gevolg gehad hebben.

Hij is vrij jong getrouwd. Het jaar is mij niet bekend maar dat kan op 1902 aangehouden worden. Hij trouwde met Frederieke Piersma en ging in Leeuwarden wonen. Dat wil zeggen in Huizum, gemeente Leeuwarderadeel. Het adres was Torenstraat 224. Een straat die nog steeds bestaat en waar wij nog eens moeten gaan kijken. Frederieke bleek niet sterk te zijn en was vaak ziek. Zij kregen twee dochtertjes. Rinske als eerste werd in 1906 geboren. Bij de geboorte van de tweede dochter, IJmkje, overleed Frederieke. Ik heb wel eens gehoord dat ze aan een nierziekte geleden zou hebben.

Een tweede huwelijk vond plaats in Leeuwarden op 2 februari 1908 met Hiltje Rauwerda. Die had zich het lot van de beide meisjes aangetrokken en het heeft er dus alle schijn van dat dit een huwelijk uit medelijden met die kinderen is geweest. Uit dat huwelijk volgde een reeks van dochters: Elizabeth, Saakje, Catherine, Geertruida en Mathilda. Je vraagt je wel eens af hoe hij zich met al die vrouwen om zich heen gevoeld moet hebben…..

Dit tweede huwelijk heeft stand gehouden tot 17 september 1927 toen het huwelijk door echtscheiding werd ontbonden. Waarmee gekomen wordt op een terrein waar het moeilijker wordt ‘Dichtung und Wahrheit’ uit elkaar te houden. De akte van scheiding is bewaard gebleven en daarin staat met betrekking tot de grond van echtscheiding:

“…dat gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan overspel, door tijdens het huwelijk van partijen vleeschelijke gemeenschap met een anderen man dan eischer,, dat voorts gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan kwaadwillige verlating door in het jaar 1921 de echtelijke woning, te verlaten en sindsdien te weigeren daarin terug te keren, in welke weigering zij, trots aanmaning, volhardt…. “

Opmerkelijk is dat de situatie dus een jaar of zes heeft geduurd voor het tot een scheiding kwam. Bij die scheiding werden de minderjarige kinderen aan de vader toegewezen.

Hoewel dit zo letterlijk in de scheidingsakte staat, betekent dat niet vanzelfsprekend dat er inderdaad sprake was van overspel is geweest. Er mag namelijk niet worden vergeten dat in die tijd geen enkele andere omstandigheid tot echtscheiding had kunnen leiden. Bestond gewoon niet. Wanneer een man en een vrouw dan ook echt uit elkaar wilden gaan was er geen andere keuze dan dat één van beide partijen dat overspel op zich nam. In die tijd genoemd ‘de grote leugen’. Ik heb meerdere malen gehoord dat ‘Moeke’, zoals Hiltje Rauwerda veelal genoemd werd, die grote leugen op zich had genomen om een scheiding te forceren. Ik hoor mijn vader nog zeggen: “Dat moet ik toegeven, ze heeft het wel voor mij gedaan.”

Nu meen ik dat dit op zich nog niets zegt. Er kan wel degelijk overspel zijn geweest, maat was dat ook zo? Dat zal niemand weten. Een opmerking van Tini dat ‘een ander haar vader was dan die van Truus’ en in welk verband de naam De Haan is gevallen, zou van Moeke zelf afkomstig zijn. He zou kunnen. Het kan ook een kwestie zijn van volharden in die grote leugen. Het is ook eigenlijk helemaal niet belangrijk meer. Maar dat er, hoe dan ook, van een forse ontwrichting sprake is geweest, staat volkomen vast en laat zich uit geheel andere omstandigheden verklaren.

De volgende constructie staat niet vast maar is gebaseerd op een reeks van feiten enerzijds en anderzijds op het weten hoe mijn vader in elkaar zat, dacht en deed. Je komt dan op het terrein van opvattingen en denkbeelden over de maatschappij en politiek. En het is in dat speciale opzicht dat Sake en Hiltje hemelsbreed verschild moeten hebben. Nog niet erg wanneer het bij denkbeelden en opvattingen bleef, maar veel rampzaliger wanneer die opvattingen uitwerken in een levensverhouding en het doen en laten gaan bepalen.

Wanneer hier het begrip ‘socialisme’ op tafel moet komen, is opnieuw een verwijzing naar de situatie van de 20-er jaren noodzakelijk. De tijd van het zeer strijdbare socialisme en de doorwerking daarvan in het leven van de aanhangers uit die tijd. Het was niet alleen kiezen vóór iets maar gelijktijdig het zich met felheid afzetten tegen alles wat aan het socialisme vreemd was. Daaronder ook het huwelijk. Een tijd van ‘vrije liefde’ en van ‘huwelijk in kameraadschap’. De mens was ‘vrij geboren’ en niets kon hem nog kluisteren.

Hoe is het één nu met het ander te combineren? Het is daarbij redelijk voldoende eens te kijken naar bepaalde levenspatronen van vooral de wat oudere dochters enerzijds en die van Sake anderzijds. Sake was in zijn hart diep gelovig al kwam dat nooit zo sterk naar buiten toe. Orde en gezag waren voor hem begrippen met een inhoud. In een bedrijf als de spoorwegen in die tijd waren ze onderdeel van het dagelijks leven. Als vader was hij bepaald streng te noemen en zeer beslist geen vrijbuiter. Hiltje Rauwerda, als moeder van dat koor meisjes, zal veel invloed op die kinderen gehad hebben. Van Lies en Saar herinner ik mij nadrukkelijk de opmerkingen over Moeke en haar vrije opvattingen. Dan kijkje naar wat er later met die kinderen gaat gebeuren:

De oudste, Rinske, gaat omstreeks 1932 naar Rusland en haar vertrek heeft nadrukkelijk idealistische achtergronden. Het was het Rusland van de eerste twaalf à dertien jaar na de Oktoberrevolutie. Een tijd van bittere armoede in dat land, maar ook van hoop op een betere toekomst. Wanneer Rinske dan besluit een goed betaalde baan bij de P.T.T. hier op te geven om zich ‘ins Rote hinein zu stürzen’ kan niet worden gedacht aan een vakantie-uitstapje maar moer er een heel zwaar wegend idealisme achter gezeten hebben. En dat leerde je in die tijd hier niet op school; dat moet er door Moeke in gebracht zijn.

Haar zuster IJmktje vergaat het maar ten dele anders. Ook zij stort zich in het socialisme, om niet te zeggen het communisme. Ze gaat samenwonen met Popke Hemkes, want trouwen, waarom? Vrije Liefde. Ze worden beiden actief in de politiek en nog actiever in de Esperantistenbeweging die juist in die tijd zo nadrukkelijk met het socialisme verwant was. Ze trouwen pas veel en veel later wanneer dat Popke beter uit gaat komen met het oog op zijn pensioen bij de firma Benninga in Leeuwarden waar hij vast gaat werken.

Dan is er nog het voorbeeld van Lies die altijd dicht bij Moeke bleef en misschien wel de innigste contacten met haar had. Uit logeerpartijtjes bij Lies, in de oorlogsjaren, herinner ik mij haar opvattingen over de vrije liefde maar al te goed. Haar man zat weliswaar in Duitsland maar erg eenzaam was ze nu ook weer niet. Toen haar man, Freek, in 1945 via Zutphen weer uit Duitsland terugkwam was het met het huwelijk zeer snel gedaan.

Sari als laatste voorbeeld. AI voor de oorlog was ze gaan samenwonen met Cor Visser. Ze kregen twee kinderen. Cor was tuinman bij de gemeente en afkomstig uit een fel rood nest uit Boskoop. Zijn broers zijn dat nog. Hij kreeg een zeer beste baan aangeboden in Zuid-Afrika en zij zouden gaan emigreren. Kort voor hun vertrek zijn ze nog getrouwd en vader Sake moest de ringen betalen.

De hele rits dochters zou niet sterk naar links hebben getrokken wanneer daar van kinds af aan geen nadrukkelijke vorming achter gezeten had. Het is dan ook nauwelijks anders mogelijk dan dat die hang naar het socialisme., in al haar verschijningsvormen, door Moeke er in is gebracht. En dat houdt weer in dat zij zelf wel heel erg overtuigd moet zijn geweest van haar maatschappelijke opvattingen.

In fel contrast daarmee staat de levenshouding en maatschappelijke visie van vader Sake. Hij was bepaald geen socialist snaar in de termen van vandaag veleer liberaal. Hij volgde zijn eigen geweten en deed wat hem goed leek en legde alleen aan zichzelf verantwoording af. Hij was een uitgesproken ‘vrij man’ en zoals hij zelf wel eens zei: “Ik ben een vrije Fries.” Het socialisme paste in geen enkel opzicht bij zijn persoonlijkheid en evenmin andere richtingen in het leven die een element van ‘opleggen’ en ‘kritiekloos volgen’ inhielden. Het zal daarom zijn geweest dat hij later, in de vroeg 30-er jaren, zeer bewust Doopsgezind werd.

Hoe en wat er in de periode tussen 1908 tot 1927 dan ook is gebeurd of niet is gebeurd, of er nu wel of geen overspel geweest is, het is alles nauwelijks belangrijk. Wat bij doordenken over gebeurde zonneklaar blijkt is een scherpe tegenstelling tussen de levensverhoudingen en meningen tussen Sake en Hiltje hetgeen tot een volledig debacle heeft geleid.

Hoe het dan ook zij, in september 1927 wordt in Venlo de scheiding uitgesproken en worden de minderjarige kinderen aan Sake toegewezen. Met de jongste net 7 jaar oud.

Ruim een jaar later trouwt hij dan voor de derde keer. Op 16 november 1928 met Anna Catherina Wilhelmina Hubertine Keysers. Het huwelijk wordt gesloten in De Bilt. Vader Sake brengt een drietal dochters mee in zijn uitzet en zij gaan wonen in Hoofddorp, Haarlemmermeer. Hij is daar dan depotchef voor de Haarlemmermeerlijnen. Een klein depot-tje was het en de betekenis van de Haar­lemmermeerlijnen was toch al aan het tanen. De belangrijkste lijn was die van Haarlem, via het stationnetje (lees: stationsgebouw) “Amsterdamse straatweg” naar vijfhuizen en Hoofddorp, van daaruit doorlopend naar Aalsmeer en Uithoorn. Zij woonden daar in een dienstwoning die aan de noordkant van de spoorlijn lag en op de hoek van de spoorlijn en de weg langs de hoofdvaart. Die huizen zijn al vele jaren geleden gesloopt.

Nog even kijk ik terug naar het huwelijk met mijn moeder. Wij (Miep en ik) hebben wel vaker daarover gepraat en wij zijn steeds tot de slotsom gekomen dat het element van het ‘verstandshuwelijk’ hier toch wel sterk aanwezig geweest moet zijn. Vader Sake was niet bepaald een romanticus, veeleer de ‘Friese nuchterheid’ zelf. Mijn moeder daarentegen is altijd en in sterke mate behept geweest met een enorm romantische inslag. Toen zij voor het eerst trouwde was zij 32 jaar en hard onderweg om tot de ‘overschotjes’ te gaan behoren. Dat was nu eenmaal zo in die tijd. En eigenlijk is dat nog niet eens zo lang geleden en nog steeds zo. Het was het slag van de ‘oude vrijsters’. Hun instellingen waren dan wel erg verschillend maar toch is hun huwelijk altijd goed geweest hoewel ze een leeftijdsverschil van 14 jaar kenden. Maar misschien ging het daarom juist zo goed. Moeder heeft altijd een sterke band figuur naast zich nodig gehad. Er was dan ook een zeer traditioneel bepaald rollenpatroon. Veel zelfstandigheid heeft zij nooit kunnen verwerven en ik geloof ook niet dat ze die had willen hebben.

Er zijn in de Hoofddorpse periode enkele crisis geweest, aanvallen van buiten af op het derde huwelijk en op het gezinsleven.

De eerste was een geloofskwestie. Moeder was van huis uit goed katholiek en was zeer katholiek opgevoed op een kloosterschool in Venlo. Het huwelijk met een niet-katholiek was voor de kerk onaanvaardbaar en heeft geleid tot een stuk ‘vervolging’ met wildwest allures. De pastoor kwam op haar gemoed in werken om bij haar man weg te lopen en toen dat niet hielp werden de zware stukken in stelling gebracht, namelijk de heren Jezuïeten.

Rond het midden van de jaren dertig heeft zij een aantal zeer zware geestelijke inzinkingen gehad en de uiteindelijke oorzaak daarvan werd altijd aan de Jezuïeten toegeschreven. Het feit van mijn geboorte maakte de zaak nog iets erger in de ogen van de kerk omdat zij volledig zou moeten boeten voor hetgeen een ongedoopt kind zou kunnen overkomen. Dit heeft toen van het ene op het andere moment geleid tot mijn doop in de Remonstrantse kerk van Oude-Wetering. Daarna zijn de aanvallen geleidelijk afgenomen.

Een tweede gebeurtenis hield met de situaties bij de Spoorwegen verband. Naar ik later van vader heb gehoord waren er bij de Spoorwegen bepaalde stakingsplannen en acties waaraan hij onder geen voorwaarde deel aan wenste te nemen en zijn mensen ook verbood dat te doen. Dat heeft enerzijds geleid tot een crash met de vakbonden die zijn bloed wel konden drinken door zijn zware greep op de mensen. Anderzijds heeft hij er zich, binnen de Spoorwegorganisatie, wraak mee op de hals gehaald via de altijd vindbare achterklap. Je maakt zwart aan wie je de pest hebt en wanneer je dat maar lang genoeg doet kun je op resultaat wachten. Er kwam uiteindelijk een aanklacht uit voort die tot tegen-verweer leidde en het uiteindelijk tot een zaak voor het scheidsgerecht bracht. Tegenwoordig heet dat het ambtenarengerecht.

Weliswaar volgde volledig eerherstel maar, omdat je niet zomaar hoofdingenieurs voor de rechter kunt slepen en laten veroordelen, volgde er ook een terugzetting in rang. Die terugzetting volgde in 1932 door overplaatsing naar het depot Zutphen in de rang van opzichtermachinist. Toch is zo’n terugzetting in zekere mate betrekkelijk, zeker wanneer in aanmerking genomen wordt het mini depot-tje Hoofddorp en de toenmalige betekenis van het depot Zutphen dat, als ik het mij goed herinner, een hoofddepot was. Een blik op de spoorwegkaart van Nederland is daarvoor voldoende. In Zutphen komen immers alle lijnen naar Arnhem en Deventer op de lange noord-zuid route bij elkaar en naar Apeldoorn en Hengelo op de oost-west route en ook nog de lijn naar Winterswijk. Zutphen had in die tijd een zesspoors remise met volledige faciliteiten voor reparaties. Er waren drie of vier tractie­opzichters. Bij de remise hoorde een reparatiewerkplaats voor goederenwagons terwijl de ‘tuin’ ofwel het rangeerterrein zeer uitgebreid was. Hij heeft daar tot 1936 gewerkt, in welk jaar wij verhuisden naar Heerlen waar vader onder-depotchef werd. Die promotie, ik herinner mij dat zeer bewust, werd met veel vreugde begroet hoewel er thuis problemen genoeg waren met de zenuwziekte van moeder. En dan: terug naar het katholieke zuiden…. De vreugde was ingegeven door het feit dat de onder­depotchef in Heerlen tevens voor de staat hoofdopzichter was van het gehele boven- en ondergrondse mijnspoorwegbedrijf. Een zeer belangrijke verbreding dus van het werk van vader. En werk stond thuis altijd vooraan op de eerste plaats en niets kon daarmee wedijveren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

wp-puzzle.com logo